Verjaring


Er zijn verschillende regelingen. Zie onder andere boek 3 BW (art. 307-311), boek 7 BW, WAM en diverse andere regelingen

Twee soorten verjaring:

verkrijgende verjaring: is zakenrechtelijk en voor het schadebedrijf niet echt relevant. Voorbeeld, iemand die 20 jaar een zaak in zijn bezit heeft, verkrijgt na ommekomst van die termijn de eigendom van die zaak, bevrijdende verjaring (ook wel extinctieve verjaring genoemd) dit is wel relevant voor het schadebedrijf. Het gevolg van verjaring is dat de verbintenis verandert in een niet afdwingbare,natuurlijke verbintenis. Het vorderingsrecht blijft bestaan, maar de rechtsvordering gaat teniet,oftewel na ingetreden verjaring zijn er geen middelen meer om het nakomen van de verbintenis af te dwingen. Als na het intreden van de verjaring de schuldenaar besluit om toch te betalen dan is deze prestatie niet onverschuldigd. Met andere woorden, als hij na enige tijd spijt heeft van die betaling dan kan hij hem niet meer als onverschuldigde betaling terug vorderen. De rechter mag nooit ambtshalve verjaring toepassen. De schuldenaar moet een beroep op verjaring doen (art. 3:322 BW).

Ratio van verjaring: de rechtszekerheid is ermee gebaat, praktische overwegingen, de stukken hoeven niet eeuwig te worden bewaard en de bewijsvoering wordt met het verstrijken van de tijd steeds onbetrouwbaarder.

Termijnen: De hoofdregel is 20 jaar, echter er zijn zoveel bijzondere regelingen gekomen dat deze termijn bijna een uitzondering is geworden. Hierna de diverse regelingen die zich kunnen voordoen:

1. Nakoming verbintenis tot geven of doen (art. 3:307 BW) De termijn is 5 jaar en deze start op de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
Voorbeeld: A verkoopt zijn fiets aan B en de levering is op 15 april 2006. A emigreert echter zonder de fiets te leveren. De verjaringstermijn start op 16 april 2006 en eindigt op 16 april 2011.

2. Betaling van periodieke schulden (art. 3:308 BW) De termijn is 5 jaar en deze begint te lopen volgend op de dag waarop de vordering opeisbaar is. Geldt voor (wettelijke) rente, dividenden, huren, pachten, lijfrenten en alles wat bij termijn van gelijk aan of korter dan een jaar verschuldigd is.
Voorbeeld: A moet op iedere 1e dag van de maand huur betalen aan B. Over de maanden januari,februari en maart 2006 doet hij dit niet. De vordering tot betaling van de huurpenningen verjaart dan op respectievelijk 2 januari 2011 (huur januari), 2 februari 2011 (huur februari) en op 2 maart2011 (huur maart).

3. Onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW)
De termijn is 5 jaar, en deze begint na de dag waarop de schuldeiser bekend is geworden met het bestaan van zijn vordering- de persoon van de ontvanger. De termijn verjaart in ieder geval 20 jaar na het ontstaan van de vordering (moment van betaling).
Voorbeeld: een WAM-verzekeraar keert op 1 maart 2006 een slachtoffer een voorschot op de schadevergoeding uit van 10.000,--. Op 1 november 2006 blijkt dat de daadwerkelijke schadeslechts 1.500,-- bedraagt. De verjaringstermijn t.a.v. het onverschuldigd betaalde bedrag van 8.500,-- begint op 2 november 2006. Zou de verzekeraar er pas op 1 november 2028 achterkomen dat er teveel is betaald dan heeft hij geen verhaal meer. De 20-jaarstermijn gooit dan roet in het eten, die loop af op 2 maart 2006.

4. Schadevergoeding (art. 3:310 BW) Dit is een van de meest gecompliceerde regelingen en ook een van de belangrijkste. Er zijn  verschillende termijnen.

Korte termijn: 5 jaar (= de hoofdregel) 5 jaar na meerder jarigheid verjaringstermijn uit Strafrecht. De termijn vangt aan na de dag waarop de schuldeiser bekend is met de schade n de daar ooraansprakelijke persoon. Er is veel geprocedeerd over de vraag wanneer de korte termijn aanvangt.

Bij bekendheid met zowel schade als met aansprakelijke persoon gaat het om:

een subjectief begrip: er is daadwerkelijke bekendheid vereist bij eiser
onbekendheid met rechtsregels die aan de schade ten grondslag liggen doet niet terzake

De termijn neemt onverbiddelijk een aanvang en te laat verkregen juridisch inzicht baat niet;o wel relevant is onbekendheid met de feiten waarop de schadeplicht rust, bijvoorbeeld een laat verkregen inzicht in de reden van onttrekking van geld aan een rekening

Een enkel vermoeden van schade is geen bekendheid daarmee (bijv. onduidelijke herkomst van klachten voor het aanvangen van de termijn moet daadwerkelijk schade zijn ontstaan (bijv. dooraanslag belastingen)

De korte termijn wordt sterk benvloed door de billijkheid: de termijn gaat pas lopen indien benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen.

Bij medische schade begint de termijn eerst te lopen bij voldoende zekerheid dat letsel (mede)gevolg is van foutief handelen (absolute zekerheid is niet vereist).

Korte termijn heeft uitgestelde werking voor minderjarige slachtoffers. Voor hen gaat de korte termijn lopen op het moment dat zij meerderjarig worden, ervan uitgaande dat zij daarvoor al bekend waren met de schade en de aansprakelijke persoon.

LET OP: deze bepaling geldt vanaf 1 februari 2004 en dus niet voor 'oude' schadegevallen(art. 119b Overgangswet).

Lange termijn: 20 jaar- 30 jaar (bij milieuschade/gevaarlijke stoffen). Bijvoorbeeld het oplopen van een asbestziekte door een werknemer valt onder deze termijn (MITS de schade voor 1februari 2004 is gevallen).
Soms geen lange termijn: letsel- en overlijdensschade (lid 5 van art. 3:310 BW)o per 1 februari 2004 ingevoerd;
- geen terugwerkende kracht;
- geldt dus niet voor schadegevallen van voor 1 februari 2004;
- bepaling met name bedoeld voor slachtoffers van "sluipende" personenschade (bijv. mesothelioom).

Door ontbreken van terugwerkende kracht heeft de bepaling alleen werking voor gevallen na 1 februari 2004. Pas over 30 jaar hebben slachtoffers profijt van deze regeling (art. 119b Overgangswet).- aparte regeling voor minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven cf Sv (lid 4 art. 3:310 BW), nooit kortere termijn.
Bij lange termijnen staat de rechtszekerheid voorop. Uitzondering alleen mogelijk op grond van de wet (zie hiervoor) en de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW).Bij asbestschades is er sprake van een langdurige blootstelling en er kan dan discussie ontstaan over het schadeveroorzakende moment cq de 'gebeurtenis'.

De gebeurtenis in de zin van art.3:310 BW is niet het moment waarop de schade zich openbaart, maar de gedraging van de aansprakelijke persoon die tot de schade kan leiden.

In situaties waarin de schade is geconstateerd nadat de lange termijn van 20/30 jaar is verstreken wordt het als niet redelijk en billijk ervaren dat een beroep op verjaring kan worden gedaan.

De Hoge Raad heeft daarover een aantal gezichtspunten ontwikkeld:
gaat het om vermogensschade of ander nadeel (letselschade) en komt vergoeding benadeelde zelf ten gunste?
bestaat er aanspraak op een uitkering uit andere hoofde?
mate waarin gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten.
mate waarin aangesprokene al voor de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of heeft kunnen houden met
   mogelijk aanspraak.
heeft aangesprokene nog mogelijkheid zich te verweren?
is aansprakelijkheid door verzekering gedekt?
heeft na de openbaring van de schade binnen redelijke termijn aansprakelijkstelling plaatsgevonden en is een
  vordering ingesteld?.

Ontbinding, herstel (art. 3:311 BW)
De termijn is 5 jaar, en vangt aan na de dag waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden. In ieder geval treedt verjaring in na 20 jaar na ontstaan van de tekortkoming zelf.

Koopovereenkomst (art. 7:23 BW)
De termijn is kort: 2 jaar! Vorderingen o.g.v. non-conformiteit bij koop worden beheerst door lid 2 van art. 7:23 BW. In lid 1 is een klachtplicht opgenomen: er moet binnen bekwame tijd worden geklaagd over het gebrek/de gebreken. In art. 6:89 BW is de algemene klachtplicht opgenomen. Er is geprocedeerd over de vraag of de korte termijn van twee jaar ook geldt wanneer de koper een vordering instelt op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).

De Hoge Raad: "De verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW geldt ... voor iedere rechtsvordering van de koper die - en ieder verweer van de koper dat - feitelijk gegrond is op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst, ook indien door de koper op deze grondslag (tevens) een rechtsvordering uit onrechtmatige daad wordt gebaseerd".

Diverse andere bepalingen, zoals bijvoorbeeld aanvaring, schade bij vervoersovereenkomst en bijzondere wetten). Wordt hier verder niet behandeld.

WAM (art. 10 WAM)
De termijn is 3 jaar, en vangt aan op het moment van het ongeval. Er is een rechtstreekse aanspraak op de WAM-verzekeraar. Indien een WAM-vordering na 3 jaar is verjaard hoeft dit niet te betekenen dat de vordering jegens de aansprakelijke bestuurder ook is verjaard. Immers, de termijn o.g.v. art. 185 WVW en art. 6:162 BW is 5 jaar (art. 3:310 BW). Handelingen die de verjaring jegens de verzekerde stuiten, stuiten ook jegens diens WAM verzekeraar en andersom. Zolang er tussen partijen onderhandelingen gaande zijn is de verjaring gestuit. Een nieuwe termijn gaat pas lopen nadat de onderhandelingen zijn afgebroken. Dit moet met zoveel woorden ook worden gezegd. De opzegging van de onderhandelingen moet worden gedaan met deurwaardersexploot of aangetekende brief.

Verzekeringsovereenkomst (per 1 januari 2006: art. 7:942 BW)
De basistermijn is 3 jaar en gaat lopen na de dag waarop eiser bekend werd met de opeisbaarheid. Het gaat over de vordering van verzekerde jegens zijn verzekeraar tot het doen van een uitkering op grond van de polis (geldt niet voor WAM). Bij aansprakelijkheidsverzekeringen geldt naast de basistermijn van 3 jaar een extra(!)verjaringstermijn van 6 maanden nadat de vordering jegens de verzekerde is ingesteld. Er is nog onduidelijkheid over het moment van instelling van de vordering (moment van aansprakelijkstelling of van dagvaarding?). Hierover zal nog wel jurisprudentie volgen. Stuiting wordt bereikt met een schriftelijke mededeling waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Hierdoor wordt de verjaring in beginsel blijvend gestuit en gaat geen nieuwe termijnlopen.

Echter: zodra de verzekeraar het recht op schadevergoeding heeft erkend gaat een nieuwe termijnlopen van 3 jaar. Bij afwijzing door de verzekeraar gaat een verjaringstermijn lopen van 6 maanden. Die afwijzing moet schriftelijk en aangetekend gebeuren, ondubbelzinnig zijn en er moet worden verwezen naar de 6-maandstermijn.

Belangrijk: deze nieuwe regeling is ingegaan per 1 januari 2006 en heeft directe werking. Daardoor is deze nieuwe verjaringsregel van toepassing op alle zaken die nu al lopen.

Stuiting
Verjaring kan worden gestuit, waardoor een nieuwe termijn een aanvang neemt. Stuiting kan worden gedaan door:- erkenning (art. 3:318 BW): dit stuit de verjaring jegens de partij die erkent. Vanaf het momen tvan erkenning gaat een nieuwe termijn lopen. Een voorschot wordt ook gezien als een erkenning.- daad van rechtsvervolging (art. 3:316 BW): door het instellen van een vordering bij de rechterwordt de verjaring gestuit en tijdens de procedure kan de vordering niet verjaren.
Er gaat dus geen nieuwe termijn lopen. Indien de procedure eindigt op 'oneigenlijke wijze' (bijv. door onbevoegdverklaring rechter), kan eiser binnen een half jaar na in kracht van gewijsde gaan van het vonniseen nieuwe eis instellen bij de rechter. Voordat een vonnis kracht van gewijsde krijgt moet een periode van 3 maanden worden afgewacht dus in totaal bedraagt de termijn 9 maanden.

schriftelijk (art. 3:317 BW): in de schriftelijke aanmaning moet ondubbelzinnig worden medegedeeld dat schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt. Er gaat dan een nieuwetermijn lopen. Ter voorkoming van bewijsproblemen t.a.v. het aankomen van de brief moet dezeaangetekend worden verstuurd met een afschrift per gewone post. Bij voorkeur ook nog eens perfax met daarbij een geprinte bevestiging van verzending zodat de tekst van de brief blijkt